Zwaard eronder!

Zwaard eronder! Het waait hard. Een grote klipper nadert de Tsjerk Hiddessluis in Harlingen. Het schip dreigt te verlijeren op de dwarswind, maar de schipper houdt net genoeg vaart. Dan gaan de lichten op groen.

De schipper heeft al contact gehad met de sluis en zich aangemeld voor een schutting, ‘van buiten naar binnen’. Van de andere kant, in het Van Harinxmakanaal, nadert een grote binnenvaarder. ‘Kleine sluis’, geeft de sluismeester aan de klipper door. De schipper geeft gas en manoeuvreert zijn schip naar binnen. Er is weinig ruimte, aan beide zijden houdt hij niet veel meer dan een halve meter over, maar door net genoeg vaart te houden schuift hij keurig naar binnen. Zodra de bakstagen vrij zijn van de achter hem omhoogstaande brug, gooit hij de motor in de achteruit en stopt af. De maat heeft aan stuurboord al een spring belegd en maakt nu een voorlijn vast. Op dek zitten twintig gasten belangstellend toe te kijken.

Blijven hangen
De schipper legt een achterlijntje in de muur en ziet dat de deur achter hem al sluit. Het gaat sneller dan gedacht. Dan voelt hij hoe het schip naar bakboord helt. Hij kijkt naar voren of de maat zijn trossen wel op slip belegd heeft en ziet de spring steeds strakker gaan staan.  ‘Je spring, vieren die spring!’ brult hij naar voren. De maat heeft de helling ook gemerkt en geeft al slack; de schipper ziet dat beide trossen voldoende ruimte hebben en dat het schip dus niet in zijn eigen trossen wordt opgehangen. Vertwijfeld ziet hij hoe het schip desondanks steeds verder helt; nog even en de zalingen raken de muur! Hij pijnigt zijn hersens op topsnelheid: hoe kán dit? En opeens weet hij het. Het zwaard! Omdat het schip al in de haven dreigde te verlijeren heeft hij het stuurboordzwaard laten zakken. Dat hangt nu recht naar beneden, door het zakkende water raakt het de bodem van de sluis en het schip blijft er domweg op staan! ‘Voorspring afstoppen!, brult hij naar voren en sprint naar de lier. Met een druk op de knop zet hij die in werking en meteen komt de zwaardloper naar binnen. Drie seconden later duwt het schip zichzelf over de zwaardbout naar voren, valt in de spring en duwt het zwaard omhoog. Net voordat het bakboordswant de overliggende muur raakt, komt het schip weer recht te liggen. De maat snapt er nog maar de helft van, maar heeft in ieder geval precies gedaan wat er gezegd werd en zo voorkomen dat het schip door de plotselinge voorwaartse druk zijn kop in de sluisdeur boort. Het is allemaal net goed gegaan.

Zeldzaam
Nu gaan de sluisdeuren open en de schipper vervolgt zijn reis, enigszins beschaamd achterom kijkend naar de sluismeester, die het allemaal vast hoofdschuddend heeft aangekeken. De maat komt naar achteren, de schipper vraagt hem om even te sturen, zodat hij de gasten kan inlichten. Hij ontziet zichzelf niet, en even later hoort de maat de gasten lachen. Niks gebeurd, weer een les geleerd. Als de schipper weer achterop staat, praten ze er niettemin nog een poos over na. Hoe je door de omstandigheden opeens zoiets simpels als het zwaard kunt vergeten. De schipper bekent dat hij ook niet eerder heeft nagedacht over de mogelijkheid dat het schip op deze manier scheef zou kunnen vallen in de sluis, en zich bovendien rotgeschrokken is van de snelheid waarmee het water zakte. Het is vloed buiten, het hoogteverschil met binnen is groot en de sluis klein, maar dat het zo snel zou gaan had hij niet verwacht. Hij heeft ook nooit eerder iets over een soortgelijk voorval gehoord van collega’s. De maat vraagt of hij er iets aan had kunnen doen. De schipper schudt zijn hoofd. ‘Nee, dit was echt mijn eigen schuld. Vanwege de wind hebben we hard moeten werken voordat we in de haven waren. De zeilen hoefden pas laat omlaag, maar toen moest alles wel weer snel opgedoekt worden en ondertussen moest ik het schip gaande houden, en tegen het verlijeren het zwaar eronder gehouden. En dan gaat er door de hectiek wel eens wat van het overzicht verloren. Ik had de marifoon al op 22 staan en wist dat we snel konden schutten als we meteen doorgingen. Het schoot er domweg bij in om ook nog aan het zwaard te denken…’

Merkteken
De maat krabt zich eens op zijn hoofd. ‘Allemaal goed en wel, maar dat zwaard had je ook nodig om goed in de sluis te komen. Je had nauwelijks tijd om het op te halen, het water viel al toen we nog maar net vastlagen. Is er geen manier om het zwaard niet tot recht onder de bout te laten vallen?’ ‘Je kunt de zwaardloper inkorten, maar dan moet je het eind wel héél goed vast kunnen zetten, want daar komt dan veel kracht op als je niet snel genoeg op de bandrem trapt. Dan kunnen we beter het zwaard nadat je het hebt laten vallen weer iets opdraaien en een merkje op de zwaardloper te zetten tot waar, voor een optimale stand.’ De Friese meren zijn er niet diep genoeg voor, maar zodra ze weer terug zijn in Harlingen gaan ze met een kwastje in de weer. De schipper laat de zwaarden vallen, samen bekijken ze de beste stand zonder dat het zwaard recht onder de bout komt te hangen, en dan zet de maat twee keurige merktekens op de zwaardlopers. Daarna plakt de schipper twee watervaste etiketten als reminders op de elektrische bediening van de zwaardlieren. Nu komt het voornaamste, en dat zal nog even trainen zijn: het inslijpen van het bijbehorende gedrag.

Auteur: Peter Fokkens